Copyright CANON INC. 2001. Alle rechten voorbehouden.
________________________________________________________________________
Microsoft Windows XP, Microsoft Windows 2000 BJ-printerstuurprogramma
Canon S500 versie 1.50
Instructies
________________________________________________________________________
Canon en BJC zijn gedeponeerde handelsmerken en Bubble Jet is een
handelsmerk van CANON INC.
Microsoft, Windows en Windows NT zijn gedeponeerde handelsmerken
van Microsoft Corporation in de VS en andere landen.
Intel en Pentium zijn gedeponeerde handelsmerken van Intel Corporation.
Andere merknamen en productnamen zijn handelsmerken of gedeponeerde
handelsmerken van hun respectieve eigenaar(s).
========================================================================
Inleiding
========================================================================
< Voorwoord >
Dit bestand bevat belangrijke informatie over het configureren en gebruiken van
het BJ-printerstuurprogramma waarbij deze Readme is geleverd. U kunt met
het BJ-printerstuurprogramma afdrukken op de Canon BJ-printer vanuit
toepassingen die worden uitgevoerd onder Microsoft (R) Windows (R) XP
of Microsoft (R) Windows (R) 2000. Voordat u de printer kunt gebruiken, moet
u het printerstuurprogramma op uw computer installeren.
< Onderdelen van de installatie >
Het installatiepakket bestaat uit de volgende onderdelen:
- Installatieprogramma (Setup.exe)
Installeert het BJ-printerstuurprogramma op de computer.
- BJ-printerstuurprogramma (wordt in dit document simpelweg
"printerstuurprogramma" genoemd)
De software waarmee u op de printer kunt afdrukken.
- Uninstaller
Hiermee kunt u het printerstuurprogramma van de computer verwijderen.
- Readme (readme.txt)
Dit document. Dit bevat belangrijke informatie over het printerstuurprogramma.
U kunt dit bestand na de installatie lezen door [Start]-[Programma's]-
[Canon S500]-[Readme] te kiezen.
< Systeemvereisten >
Voor deze software is de volgende systeemconfiguratie vereist:
Besturingssysteem
Windows XP Home Edition
Windows XP Professional
Windows 2000 Professional of
Windows 2000 Server/Advanced Server
Hardware
Computer: Moet normaal werken met het gebruikte besturingssysteem.
(CPU: Intel Pentium-microprocessor of equivalente microprocessor)
Geheugen: Moet normaal werken met het gebruikte besturingssysteem.
Harde schijf: Ten minste 25 MB beschikbare ruimte vóór het installeren van het stuurprogramma.
Overig: Cd-rom-station
Interface: Parallelle interface of USB-interface
Printerkabel: Bi-directionele Centronics-kabel of USB-kabel
Monitor: VGA of beter
< Voorzorgsmaatregelen >
Let vóór het installeren van de printer op het volgende.
- Sluit de printer aan op de computer, voordat u het installatieprogramma start.
Zie de handleiding bij de printer voor meer informatie.
- U moet volledige toegang hebben tot de printerinstellingen om de installatie
te kunnen uitvoeren. Zorg dat u bent aangemeld als een lid van de groep Beheerders.
- Sluit alle actieve toepassingen af.
- Als er een eerdere versie van het printerstuurprogramma op de computer is
geïnstalleerd, moet u deze verwijderen met de uninstaller, voordat u het nieuwe
stuurprogramma installeert. Volg de instructies op in de sectie "Het printerstuurprogramma
verwijderen".
- Afhankelijk van de gebruikte omgeving, is het mogelijk dat er een Windows-
printerstuurprogramma geleverd door Microsoft, automatisch op de computer
wordt geïnstalleerd. Het wordt echter aanbevolen het printerstuurprogramma
van Canon te gebruiken.
< Installatiemethode >
Als u het printerstuurprogramma installeert vanaf een cd-rom-schijf,
downloadt u (1) vanaf het Web en leest u (2). De installatiemethode
die hieronder wordt beschreven, is voor het gebruik van de printer
als een lokale printer. Wanneer u de printer als een netwerkprinter gebruikt,
volgt u de installatiemethode op die wordt beschreven in "Informatie over
afdrukken in een netwerk".
(1) Het printerstuurprogramma installeren vanaf een cd-rom
1. Schakel de printer UIT.
Opmerking:
Als u de computer aanzet terwijl de printer aan staat, verschijnt
de wizard [Nieuwe hardware gevonden] automatisch bij het opstarten
van de computer. Klik op [Annuleren] als dit gebeurt.
2. Start Windows en plaats de cd-rom in het cd-rom-station van de computer.
De cd-rom start automatisch.
3. Wanneer het scherm [Licentie-overeenkomst] verschijnt, leest u de voorwaarden.
Klik op [Ja] als u met de voorwaarden akkoord gaat.
4. Klik op [Installeren] om het kopiëren van bestanden te starten.
5. Wanneer het scherm [Printerpoort] verschijnt, schakelt u de printer in en wacht
u tot de poort wordt herkend.
Opmerking:
Als u zelf de printerpoort wilt selecteren, klikt u op [Handmatige selectie], selecteert
u de poort op het scherm [Poort selecteren] en klikt u op [Volgende].
6. Wanneer het bericht [Installatie voltooid] verschijnt, klikt u op [OK].
7. Klik op [Afsluiten].
Opmerking:
In bepaalde omgevingen verschijnt het bericht dat u de computer opnieuw
moet opstarten, nadat u op [Afsluiten] klikt. Het is raadzaam de computer
opnieuw op te starten, omdat de installatie zo kan worden voltooid.
(2) Het installatieprogramma gebruiken
U kunt het printerstuurprogramma downloaden vanaf een website van Canon.
Opmerking:
Wanneer u het gedownloade gecomprimeerde bestand uitpakt, slaat u het
bestand op in een map, bijvoorbeeld [C:temp]. Gebruik geen Japanse tekens in
de mapnaam, anders wordt het printerstuurprogramma niet goed geïnstalleerd.
1. Schakel de printer UIT.
Opmerking:
Als u de computer aanzet terwijl de printer aan staat, verschijnt de
wizard [Nieuwe hardware gevonden] automatisch bij het opstarten van
de computer. Klik op [Annuleren] als dit gebeurt.
2. Open de map die het programma bevat.
3. Dubbelklik op [Setup.exe] om het installatieprogramma te starten.
4. Klik op [Volgende] op het scherm [Welkom].
5. Lees de [Licentie-overeenkomst]. Klik op [Ja] als u met de voorwaarden akkoord gaat.
Het kopiëren van bestanden wordt gestart.
6. Wanneer het scherm [Printerpoort] verschijnt, schakelt u de printer in en wacht u
tot de poort wordt herkend.
Opmerking:
Als u zelf de printerpoort wilt selecteren, klikt u op [Handmatige selectie], selecteert
u de poort op het scherm [Poort selecteren] en klikt u op [Volgende].
7. Wanneer het bericht [Installatie voltooid] verschijnt, klikt u op [Voltooien].
Opmerking:
In bepaalde omgevingen verschijnt het bericht dat u de computer opnieuw
moet opstarten, nadat u op [Afsluiten] klikt. Het is raadzaam de computer
opnieuw op te starten, omdat de installatie zo kan worden voltooid.
< Waarschuwingsberichten die tijdens de installatie verschijnen >
- In bepaalde omgevingen, verschijnt een bericht waarin u wordt gevraagd
of u het bestaande printerstuurprogramma wilt vervangen. Klik op [Ja]
als dit bericht verschijnt.
* Windows XP
Als het bericht verschijnt dat de software niet geschikt is bevonden door de
Windows-logotest, kiest u ervoor om toch door te gaan met het installatieproces
[Continue Anyway].
* Windows 2000
Als het bericht verschijnt dat de digitale handtekening niet werd gevonden, klikt u
op [Ja] om door te gaan met het installatieproces.
< Het printerstuurprogramma verwijderen >
Verwijder het printerstuurprogramma door de volgende procedure op te volgen:
1. Selecteer [Programma's] in het menu [Start] en klik vervolgens op [Canon S500].
2. Klik op [Uninstall].
3. Als het dialoogvenster [Verwijdering bestand bevestigen] verschijnt, klikt u op de knop [Ja].
Opmerking:
-Versie 1.0 voor Windows 2000 van het printerstuurprogramma heeft geen uninstaller.
Verwijder het printerstuurprogramma door de volgende procedure op te volgen:
1) Selecteer [Instellingen] in het menu [Start] en klik op [Printers].
2) Selecteer de naam van de printer die u wilt verwijderen en selecteer
[Verwijderen] in het menu [Bestand].
3) Selecteer [Servereigenschappen] in het menu [Bestand].
4) Klik op het tabblad [Stuurprogramma's] en selecteer de naam van de
printer die moet worden verwijderd onder [Geïnstalleerde printerstuurprogramma's].
5) Klik op [Verwijderen], [OK].
========================================================================
Instellingen voor het printerstuurprogramma opgeven
========================================================================
< Het eigenschappenvenster van het printerstuurprogramma openen >
- Openen vanuit de toepassing
U opent het printerstuurprogramma vanuit de toepassing door
[Bestand]-[Pagina-instelling] te selecteren en op [Printer] te klikken,
of door [Bestand]-[Afdrukken...] te selecteren en op [Eigenschappen] te klikken.
- Direct openen
Wanneer u veel gebruikte instellingen wilt opgeven of toegang wilt krijgen
tot de onderhoudsfuncties van de printer, volgt u onderstaande procedure op.
Gebruik de onderhoudsfuncties niet wanneer er wordt afgedrukt.
1) Selecteer de volgende items in het menu [Start]:
Voor Windows XP: [Control Panel]-[Printers and Other Hardware]
([Configuratiescherm]-[Printers en andere hardware])-
[Printers and Faxes] ([Printers en faxapparaten])
Voor Windows 2000: [Instellingen]-[Printers]
2) Klik op het pictogram van het printermodel dat u wilt gebruiken.
3) Selecteer [Voorkeursinstellingen voor afdrukken] in het menu [Bestand].
< De voornaamste tabbladen met printerinstellingen >
Het eigenschappenvenster van het printerstuurprogramma is
ingedeeld in tabbladen, als volgt:
- Tabblad [Afdruk]
Geeft aan welk type medium is geladen.
U kunt op dit tabblad opgegeven wat voor papier u gebruikt.
- Tabblad [Pagina-instelling]
Hier geeft u de [Afdrukstand], het [Paginaformaat], de [Schaal] en andere
instellingen op.
- Tabblad [Stempel/Achtergrond]
U kunt op uw document een stempel of achtergrond laten afdrukken. U kunt
kiezen uit beschikbare stempels of achtergrondafbeeldingen, of uw eigen
stempels of achtergronden maken en opslaan.
- Tabblad [Effecten]
Hier kunt u speciale effecten opgeven voor het aanpassen of verbeteren
van afgedrukte afbeeldingen.
- Tabblad [Profielen]
Op dit tabblad kunt u de instellingen opslaan die u hebt opgegeven op
de tabbladen [Afdruk], [Pagina-instelling] en [Effecten]. De instellingen die
u vaak gebruikt kunt u later weer ophalen. U kunt ook instellingen verwijderen
die u niet langer nodig hebt.
- Tabblad [Onderhoud]
Vanaf dit tabblad kunt u printkoppen reinigen, testafdrukken maken en
andere onderhoudsfuncties uitvoeren.
Opmerking:
Wanneer u informatie wilt over een item in het eigenschappenvenster,
gebruikt u de online Help. Klik op [?] rechtsboven in het venster en klik op
het item om een uitleg ervan te zien. U kunt help opvragen over een volledig
tabblad door te klikken op de knop Help onder in het eigenschappenvenster.
Voor help over het gebruik van de Help, drukt u op [F1] wanneer het Help-
venster wordt geopend.
< Het printerstuurprogramma gebruiken >
Bij het gebruik van het printerstuurprogramma gelden enkele beperkingen.
Houd bij het afdrukken rekening met het volgende:
- Bij het gebruik van bepaalde toepassingen, werkt de instelling voor [Aantal] niet,
wanneer u deze instelling opgeeft in het printerstuurprogramma. In dergelijke
gevallen geeft u de instelling op in het dialoogvenster [Afdrukken] van de toepassing.
- Bij bepaalde toepassingen werkt het afdrukken niet goed als u meerdere exemplaren
van een document probeert af te drukken en de optie [Sorteren] is geselecteerd
op het tabblad [Pagina-instelling] van het printerstuurprogramma of in het dialoogvenster
[Afdrukken] van de toepassing. U kunt dit alleen oplossen door de optie [Sorteren]
uit te schakelen.
- Bij bepaalde toepassingen werkt het afdrukken niet goed als [Afdruktype] of [Halftonen]
is ingesteld op [Auto]. In dit geval start u de [Afdrukadviseur] op het tabblad [Afdruk]
en selecteert u de optie [Een foto van topkwaliteit afdrukken] of [Tabellen en diagrammen
afdrukken]. U kunt ook [Afdrukkwaliteit] op het tabblad [Afdruk] instellen op [Aangepast]
en een andere instelling dan [Auto] kiezen voor [Halftonen]. Stel vervolgens
[Kleuraanpassing] in op [Handmatig] en selecteer een andere instelling dan [Auto]
voor [Afdruktype].
- Wanneer u gegevens afdrukt met gradaties of met veel grafische informatie,
is het mogelijk dat deze niet worden afgedrukt. Dit gebeurt als er onvoldoende
schijfruimte op de harde schijf is voor de tijdelijke opslag van gegevens. U lost dit
op door 40-50 MB ruimte vrij te maken op de schijf waar Windows XP of Windows
2000 is geïnstalleerd. U kunt ook de instelling van [Spoolmap] in [Servereigenschappen]
aanpassen om voldoende ruimte voor de spoolmap toe te wijzen.
- Als u een afdruktaak in de map Printer tijdens het afdrukken annuleert, duurt het
enige tijd voordat het afdrukken daadwerkelijk stopt.
- Als er een fout optreedt tijdens het afdrukken, annuleert u het afdrukken
op de volgende manier.
1. Verwijder de huidige afdruktaak en alle andere taken in de wachtrij.
2. Schakel de printer uit.
Wanneer u dit doet, worden de afdrukgegevens verwijderd die al naar de
printer waren gestuurd.
- In sommige gevallen lukt het afdrukken niet als er onvoldoende virtueel
geheugen is. U kunt dit oplossen door het wisselbestand te vergroten.
U opent hiertoe het eigenschappenvenster [Systeem] door te dubbelklikken
op [Systeem] in het Configuratiescherm of door te rechtsklikken op [Deze computer]
en [Eigenschappen] te kiezen. Klik vervolgens op het tabblad [Geavanceerd],
klik op [Instellingen voor prestaties...], klik op [Wijzigen...], wijzig de grootte van
het wisselbestand, klik op [Instellen] en klik op [OK].
- Wijzig niet de instellingen voor [Afdrukprocessor...] op het tabblad [Geavanceerd]
van het eigenschappenvenster van de printer.
Als u dit wel doet, werken de volgende functies niet correct.
- [Paginaopmaak afdrukken], [Poster afdrukken], [Omgekeerde volgorde]
en [Sorteren] op het tabblad [Pagina-instelling] - alle functies op het
tabblad [Stempel/Achtergrond]
De volgende functies kunnen niet worden gebruikt als u de optie
[Geavanceerde afdrukfuncties inschakelen] op het tabblad [Geavanceerd]
van het eigenschappenvenster van het printerstuurprogramma uitschakelt:
- [Paginaopmaak afdrukken], [Poster afdrukken], [Omgekeerde volgorde] en
[Sorteren] op het tabblad [Pagina-instelling]
- Alle functies op het tabblad [Stempel/Achtergrond]
De volgende functies kunnen niet worden gebruikt als u een toepassing
gebruikt die EMF-spooling niet ondersteunt (bijvoorbeeld PhotoShop 4.0
en Power Point):
- [Paginaopmaak afdrukken], [Poster afdrukken], [Omgekeerde volgorde] en
[Sorteren] op het tabblad [Pagina-instelling]
- Alle functies op het tabblad [Stempel/Achtergrond]
De volgende functies kunnen niet worden gebruikt als u [Afdrukken naar bestand]
selecteert in het dialoogvenster [Afdrukken] van de toepassing:
- [Paginaopmaak afdrukken], [Poster afdrukken], [Omgekeerde volgorde]
en [Sorteren] op het tabblad [Pagina-instelling]
- Alle functies op het tabblad [Stempel/Achtergrond]
- Wanneer [Paginaopmaak] op het tabblad [Pagina-instelling] is ingesteld
op [2 pagina-afdruk], kunnen in bepaalde toepassingen de pagina's worden
afgekapt. Als dit gebeurt, past u de lay-out van de afbeeldingen aan in de toepassing.
- Wanneer u de LPT-poort gebruikt, kunt u ervoor zorgen dat de Statusmonitor
goed reageert door het eigenschappenvenster van het printerstuurprogramma te
openen, te klikken op het tabblad [Poorten], te klikken op [Poort configureren...]
en [Transmissie opnieuw proberen] in te stellen op een lagere waarde dan 90
seconden. Start de computer opnieuw op om ervoor te zorgen dat de nieuwe
instelling in werking treedt.
- Het is mogelijk dat u de parallelle poort op ECP-modus wilt instellen in de BIOS
van de computer. Details over het wijzigen van de BIOS-instellingen kunt u vinden
in de handleiding bij de computer.
Opmerking:
Afhankelijk van de hardware, is het mogelijk dat de BJ-statusmonitor geen juiste
informatie geeft over de status van de printer of dat afdruktaken niet juist worden
uitgevoerd bij de instelling ECP-modus. Als u dergelijke problemen ondervindt,
klikt u op [Aangepaste instellingen] op het tabblad [Onderhoud] en maakt u de
selectie van [Printer instellen op ECP-modus] ongedaan.
- Wanneer u een poster, stempel of achtergrond afdrukt, is het aantal weergegeven pagina's
van het document in de wachtrij groter dan het werkelijke aantal pagina's.
- Wanneer een andere gebruiker zich bij de computer aanmeldt met de functie voor
het snel schakelen naar een andere gebruiker, verschijnt er alleen in de
Statusmonitor een fout of waarschuwing.
- Meer details over functies in Windows XP of Windows 2000 kunt u vinden in
de bijbehorende gebruikershandleidingen.
< Opmerkingen bij toepassingen >
- Microsoft Word 2002/Microsoft Word 2000/Microsoft Corporation
Als u een hogere waarde opgeeft dan 1 bij [Pagina's per vel] in het
dialoogvenster [Afdrukken] van Word, stelt u [Paginaopmaak] op het
tabblad [Pagina-instelling] van het printerstuurprogramma in op [1 per pagina].
Als u voor beide instellingen een hogere waarde opgeeft dan 1, wordt het
afdrukken niet correct uitgevoerd. Wanneer u meer dan een pagina per vel wilt
afdrukken, geeft u dit op door slechts een van de instellingen te wijzigen.
- Microsoft Word 2002/Microsoft Word 2000/Microsoft Corporation
Wanneer u in het dialoogvenster [Afdrukken] de optie [Aanpassen aan papierformaat]
gebruikt, maakt u de selectie van [Afdrukken op schaal] op het tabblad [Pagina-instelling]
van het printerstuurprogramma ongedaan. De optie [Papierformaat printer] op het tabblad
[Pagina-instelling] van het printerstuurprogramma krijgt voorrang boven de optie [Aanpassen
aan papierformaat] van Word.
- Microsoft Word 2002/Microsoft Word 2000/Microsoft Corporation
Wanneer de optie [Formaat zonodig wijzigen in A4/Letter] van Word is ingeschakeld en
de optie [Afdrukstand] in het dialoogvenster [Pagina-instelling] van Word is ingesteld
op [Staand] en de [Afdrukstand] in het printerstuurprogramma is ingesteld op [Liggend],
wordt het afdrukken niet correct uitgevoerd. U kunt dit voorkomen door vóór het afdrukken
de optie [Formaat zonodig wijzigen in A4/Letter] uit te schakelen. U krijgt toegang tot deze
functie door het dialoogvenster [Opties] te openen vanuit het menu [Extra] van Word en te
klikken op het tabblad [Afdrukken}.
- Microsoft Word/Microsoft Corporation
Wanneer u het [Papierformaat] en de [Afdrukstand] wilt wijzigen, doet u dit in Word en
niet in het printerstuurprogramma.
- Microsoft Word/Microsoft Corporation
Wanneer u [Afdrukken op schaal] selecteert op het tabblad [Pagina-instelling],
doet u het volgende:
1. Open het dialoogvenster [Afdrukken] van Word.
2. Open het eigenschappenvenster van het printerstuurprogramma en selecteer
het paginaformaat op het tabblad [Pagina-instelling]. Klik op OK.
3. Sluit het venster [Afdrukken] zonder het afdrukken te starten.
4. Open het dialoogvenster [Afdrukken] van Word opnieuw.
5. Open het eigenschappenvenster van het printerstuurprogramma en klik opnieuw op [OK].
6. Start het afdrukken.
- Lotus Organizer 2.1/97/Lotus Corporation
In Lotus Organizer wordt in kleur afgedrukt, zelfs wanneer monochroom afdrukken
is geselecteerd. U kunt dit voorkomen door [Grijstinten] in het printerstuurprogramma
in te schakelen.
- Photoshop/Adobe Systems Inc.
Het afdrukken wordt niet uitgevoerd als u geen systeembeheerdersrechten hebt. Zorg
dat u zich aanmeldt met systeembeheerdersrechten.
- Lotus Notes/Lotus Corporation
Het systeem kan zich bij bepaalde afdruktaken vergrendelen. Zorg dat u in de
pagina-instellingen van Notes een boven- en ondermarge opgeeft van 22,86 mm
(0,9 inch) of 27,94 mm (1,1 inch).
- Microsoft Outlook/Microsoft Corporation
Als u het afdrukken vanuit de toepassing annuleert, loopt de volgende afdruktaak vast.
Selecteer op het tabblad [Geavanceerd] van het eigenschappenvenster van de printer,
de functie spoolen voor het document.
- CorelDraw 8/Corel Corporation
Er kunnen zich problemen voordoen bij het openen van het eigenschappenvenster van het
printerstuurprogramma vanuit CorelDraw 8.0. Het systeem kan vastlopen of tekens kunnen
beschadigd raken. U voorkomt dit door het eigenschappenvenster van het
printerstuurprogramma te openen vanuit de map [Printers], de gewenste instellingen
op te geven en vervolgens af te drukken vanuit de toepassing.
Dit probleem doet zich niet voor in CorelDraw 9.0.
- Illustrator/Adobe Systems Inc.
Het afdrukken van bitmaps duurt lang of er worden enkele gegevens niet afgedrukt.
Maak de selectie van de optie voor bitmap afdrukken in het dialoogvenster [Afdrukken]
ongedaan.
============================================================================
Informatie over afdrukken in een netwerk
============================================================================
< Voorwoord >
In Windows kunnen een of meer gebruikers een printer in een netwerk delen.
Hiervoor moeten wel enkele instellingen worden opgegeven op de computers die
verbonden zijn met het netwerk.
De computer waarop de printer is aangesloten heet een afdrukserver (hierna
simpelweg server genoemd). De computer die de printer gebruikt die is
aangesloten op een server in een netwerk, wordt de clientmachine
genoemd (hierna simpelweg client).
De server en de client hoeven niet hetzelfde besturingssysteem te hebben.
De installatiemethode en de beperkingen op het gebruik, verschillen echter wel,
afhankelijk van de combinatie van besturingssystemen op de server en client.
< Te gebruiken versie van het printerstuurprogramma >
-Gebruik het printerstuurprogramma dat overeenkomt met de besturingssystemen
op de server en de client.
-De combinatie van het printerstuurprogramma (gemaakt door Microsoft) dat
onderdeel is van Windows en een printerstuurprogramma van Canon, biedt niet
de mogelijkheid voor het afdrukken in een netwerk. Gebruik de stuurprogramma's
van Canon op zowel de server als clients.
-De printerstuurprogramma's die op de server en clients worden gebruikt, moeten
dezelfde versie hebben. Wanneer Windows XP wordt gebruikt met Windows 2000,
installeert u printerstuurprogramma versie 1.50 op zowel de server als de client.
-Wanneer Windows NT 4.0 wordt gebruikt op een server of client, installeert u
versie 4.50 die overeenkomt met dit printerstuurprogramma.
Een andere versie kan problemen veroorzaken.
Opmerking:
Er is geen printerstuurprogramma voor Windows NT 4.0 voor een printer die
geen parallelle interface heeft.
-Wanneer Windows Me, Windows 98 of Windows 95 wordt gebruikt, installeert u
de nieuwste versie van het BJ-printerstuurprogramma voor het betreffende
besturingssysteem.
< Installatie- en configuratiemethoden >
Gebruik de installatiemethode die behoort bij het type besturingssysteem dat
op de server wordt gebruikt.
- Windows XP, Windows 2000 of Windows NT 4.0 ----- (1), (2), (3)
Opmerking:
Gebruik een procedure die overeenkomt met het type besturingssysteem
dat op de client wordt gebruikt.
- Windows Me, Windows 98 of Windows 95 ----- (4)
(1) Wanneer zowel de server als de client hetzelfde besturingssysteem hebben
Server: Windows XP of Windows 2000, Client: Windows XP of Windows 2000
of
Server: Windows NT 4.0, Client: Windows NT 4.0
1. Installeer op de server een printerstuurprogramma dat geschikt is voor het
besturingssysteem. De installatiemethode is ongeveer hetzelfde als voor een
gewone lokale printer.
2. Stel de printer die is aangesloten op de afdrukserver, in als een gedeelde printer.
Instructies hiervoor kunt u vinden in de Help van Windows.
U kunt op dit punt Point en Print Setup uitvoeren.
(Sla stap 3 over wanneer u dit doet.)
3. Installeer op de client een printerstuurprogramma dat geschikt is voor
het besturingssysteem. De installatiemethode is ongeveer hetzelfde als voor
een gewone lokale printer.
Opmerking:
- U kunt tijdens de installatie een willekeurige poort kiezen. Hierna voltooit
u de installatie.
- Wanneer u het printerstuurprogramma installeert met het installatieprogramma,
verschijnt er een bericht waarin u wordt gevraagd de printer in te schakelen.
Negeer dit bericht.
4. Open de netwerkcomputer op de client en selecteer [Printers] op de server.
5. Rechtsklik op het pictogram van de gedeelde printer die u wilt gebruiken in de
map [Printers] en kies een van deze opties in het menu:
- [Verbinden...] voor Windows XP of Windows 2000
- [Installeren...] voor Windows NT 4.0
Op deze manier maakt u een pictogram voor een gedeelde printer op de client.
Aangezien het pictogram van de printer waarvoor in stap 3 een printerstuurprogramma
is geïnstalleerd, niet langer nodig is, kan dit worden verwijderd.
(2) Wanneer er op de client een ander besturingssysteem wordt gebruikt
Server: Windows XP of Windows 2000, Client: Windows NT 4.0
of
Server: Windows NT 4.0, Client: Windows XP of Windows 2000
Opmerking:
Wanneer op de client Windows Me, Windows 98 of Windows 95 wordt gebruikt,
volgt u de procedure op die wordt beschreven in "(3) Wanneer er op de client
een ander besturingssysteem wordt gebruikt".
1. Installeer op de server een printerstuurprogramma dat geschikt is voor het
besturingssysteem. De installatiemethode is ongeveer hetzelfde als voor
een gewone lokale printer.
2. Stel de printer die is aangesloten op de afdrukserver, in als een gedeelde printer.
Instructies hiervoor kunt u vinden in de Help van Windows.
U kunt op dit punt Point en Print Setup uitvoeren.
(Sla stap 3 over wanneer u dit doet.)
Opmerking:
Wanneer op de server Windows NT 4.0 wordt gebruikt en op de client
Windows XP of Windows 2000, voert u geen Point en Print Setup uit.
3. Installeer op de client een printerstuurprogramma dat geschikt is voor het
besturingssysteem. De installatiemethode is ongeveer hetzelfde als voor een
gewone lokale printer.
Opmerking:
- U kunt tijdens de installatie een willekeurige poort kiezen. Hierna voltooit u de installatie.
- Wanneer u het printerstuurprogramma installeert met het installatieprogramma,
verschijnt er een bericht waarin u wordt gevraagd de printer in te schakelen.
Negeer dit bericht.
4. Open de netwerkcomputer op de client en selecteer [Printers] op de server.
5. Rechtsklik op het pictogram van de gedeelde printer die u wilt gebruiken in
de map [Printers] en kies een van deze opties in het menu:
- [Verbinden...] voor Windows XP of Windows 2000
- [Installeren...] voor Windows NT 4.0
Op deze manier maakt u een pictogram voor een gedeelde printer op de client.
Aangezien het pictogram van de printer waarvoor in stap 3 een printerstuurprogramma
is geïnstalleerd, niet langer nodig is, kan dit worden verwijderd.
(3) Wanneer er op de client een ander besturingssysteem wordt gebruikt
Server: Windows XP, Windows 2000 of Windows NT 4.0
Client: Windows Me, Windows 98, Windows 95
1. Installeer op de server een printerstuurprogramma dat geschikt is voor
het besturingssysteem. De installatiemethode is ongeveer hetzelfde als
voor een gewone lokale printer.
2. Stel de printer die is aangesloten op de afdrukserver, in als een gedeelde printer.
Instructies hiervoor kunt u vinden in de Help van Windows.
3. Installeer op de client een printerstuurprogramma dat geschikt is voor het
besturingssysteem. De installatiemethode is ongeveer hetzelfde als voor
een gewone lokale printer.
Opmerking:
- U kunt tijdens de installatie een willekeurige poort kiezen. Hierna voltooit u de installatie.
- Wanneer u het printerstuurprogramma installeert met het installatieprogramma,
verschijnt er een bericht waarin u wordt gevraagd de printer in te schakelen.
Negeer dit bericht.
4. Selecteer [Start]-[Instellingen]-[Printers] op de client.
5. Rechtsklik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken en selecteer
[Eigenschappen].
6. Klik op het tabblad [Details] en klik op [Poort toevoegen...].
7. Selecteer [Netwerk] en klik op [Bladeren].
8. Selecteer in de lijst met printers het type gedeelde printer dat u wilt gebruiken
en klik op [OK].
Op deze manier maakt u een pictogram voor een gedeelde printer op de client.
(4) Wanneer Windows Me, Windows 98 of Windows 95 op de server wordt gebruikt
Server: Windows Me, Windows 98 of Windows 95
Client: Windows XP, Windows 2000 of Windows NT 4.0
1. Installeer op de server een printerstuurprogramma dat geschikt is voor het
besturingssysteem. De installatiemethode is ongeveer hetzelfde als voor
een gewone lokale printer.
2. Stel de printer die is aangesloten op de afdrukserver, in als een gedeelde printer.
Instructies hiervoor kunt u vinden in de Help van Windows.
3. Installeer op de client een printerstuurprogramma dat geschikt is voor het
besturingssysteem. De installatiemethode is ongeveer hetzelfde als voor
een gewone lokale printer.
Opmerking:
- U kunt tijdens de installatie een willekeurige poort kiezen. Hierna voltooit u de installatie.
- Wanneer u het printerstuurprogramma installeert met het installatieprogramma,
verschijnt er een bericht waarin u wordt gevraagd de printer in te schakelen.
Negeer dit bericht.
4. Open de netwerkcomputer op de client en selecteer [Printers] op de server.
5. Rechtsklik op het pictogram van de gedeelde printer die u wilt gebruiken in
de map [Printers] en kies een van deze opties in het menu:
- [Verbinden...] voor Windows XP of Windows 2000
- [Installeren...] voor Windows NT 4.0
Op deze manier maakt u een pictogram voor een gedeelde printer op de client.
Aangezien het pictogram van de printer waarvoor in stap 3 een printerstuurprogramma
is geïnstalleerd, niet langer nodig is, kan dit worden verwijderd.
Bij deze combinatie van besturingssystemen kan bi-directionele communicatie niet
op de normale wijze worden uitgevoerd. Raadpleeg "Wanneer Windows Me,
Windows 98 of Windows 95 op de server wordt gebruikt" in "Beperkingen met
betrekking tot het netwerk".
< Beperkingen met betrekking tot het netwerk >
- Wanneer u een netwerkprinter gebruikt en de BJ-statusmonitor op de client is actief,
wordt er een opdracht naar de printer gestuurd om de status op te halen.
Als u de optie [Waarschuwing geven als externe documenten worden afgedrukt] op
het tabblad [Geavanceerd] van het dialoogvenster [Eigenschappen voor Afdrukserver]
op de afdrukserver hebt geactiveerd, verschijnt er bij elke opdracht een bericht op de
client dat het afdrukken is voltooid. Vooral als de BJ-statusmonitor actief is, wordt er
vaak een verzoek verstuurd voor meer informatie over de printerstatus en verschijnt er
telkens een bericht wanneer een afdruktaak is voltooid. Om te voorkomen dat deze
berichten verschijnen, maakt u de selectie van de optie [Waarschuwing geven als
externe documenten worden afgedrukt] op het tabblad [Geavanceerd] van het dialoogvenster
[Eigenschappen voor Afdrukserver] op de afdrukserver ongedaan, en start u de
afdrukserver opnieuw op om de instelling in werking te laten treden.
- Wanneer Windows XP, Windows 2000 of Windows 4.0 op de server wordt gebruikt
Met een Point en Print Setup (een methode voor het opslaan van een printerstuurprogramma
voor clients op de afdrukserver met gebruikmaking van de functie [Extra stuurprogramma's]
op Windows XP of Windows 2000 of de functie [Alternatieve stuurprogramma's] op
Windows NT 4.0) wordt het printerstuurprogramma voor Windows NT 4.0 op de
client geïnstalleerd. Het is niet gegarandeerd dat het printerstuurprogramma voor Windows
NT 4.0 goed werkt onder Windows XP of Windows 2000. U lost dit probleem op door het
printerstuurprogramma voor Windows XP of Windows 2000 op de client te installeren door
de procedure op te volgen in "(2) Wanneer er op de client een ander besturingssysteem
wordt gebruikt".
- Wanneer Windows NT4.0, Windows Me, Windows 98 of Windows 95 op de server
wordt gebruikt en Windows XP of Windows 2000 op de server
Bij het uitvoeren van een Point en Print Setup zijn de instellingen [Paginaopmaak afdrukken],
[Boekwerkje afdrukken], [Dubbelzijdig afdrukken], [Omgekeerde volgorde], [Sorteren] en
[Stempel/Achtergrond] niet beschikbaar voor selectie.
In dit geval doet u het volgende:
Open het eigenschappenvenster van de printer op de client, selecteer [Poort toevoegen...]
op het tabblad [Poorten] en voer de naam in van de printer en het netwerkpad naar de printer.
- Wanneer Windows Me, Windows 98 of Windows 95 op de server wordt gebruikt
De bi-directionele communicatie met de printer verloopt niet normaal; er verschijnt een
waarschuwing en het afdrukken wordt soms stopgezet of helemaal niet uitgevoerd.
U lost dit probleem op door [Eigenschappen] te selecteren van het printerstuurprogramma
op de server, klik op [Wachtrij-instellingen...] op het tabblad [Details] en selecteer
[Bi-directionele ondersteuning voor deze printer uitschakelen].
- Wanneer Windows XP, Windows 2000 of Windows 4.0 op de client wordt gebruikt
Bij het uitvoeren van een Point en Print Setup, wordt de instelling voor bi-directionele
ondersteuning op de client uitgeschakeld. Als de gebruiker op de client het
eigenschappenvenster van het printerstuurprogramma sluit door op [OK] te klikken,
zonder de bi-directionele ondersteuning in te schakelen, wordt deze functie ook
uitgeschakeld op de server.
U lost dit probleem op door het printerstuurprogramma
eerst op de client te installeren door de procedure op te volgen in
"(2) Wanneer er op de client een ander besturingssysteem wordt gebruikt".
U kunt dit probleem ook voorkomen door de toegangsrechten van de clientgebruiker
te beperken bij het opgeven van een beveiligingsinstelling voor een gedeelde printer.
- Bij het gebruik een van PrintPoint 140 BJC ethernet-afdrukserver van Axis Communications
kan er wel worden afgedrukt, maar werkt de bi-directionele communicatie niet.
- Wanneer u afdrukt via internet (IPP-omgeving), controleert u de versie van het
printerstuurprogramma op de server en installeert u hetzelfde printerstuurprogramma op
de client als een lokale printer.
Hierbij kan de Statusmonitor niet op de client worden gestart, omdat de printerstatus
niet via internet kan worden opgehaald.
- Wanneer hetzelfde printerstuurprogramma op zowel de server als de client als een
lokale printer is geïnstalleerd, kan er automatisch een pictogram voor de netwerkprinter
op de client worden gemaakt.
________________________________________________________________________
Download Driver Pack
After your driver has been downloaded, follow these simple steps to install it.
Expand the archive file (if the download file is in zip or rar format).
If the expanded file has an .exe extension, double click it and follow the installation instructions.
Otherwise, open Device Manager by right-clicking the Start menu and selecting Device Manager.
Find the device and model you want to update in the device list.
Double-click on it to open the Properties dialog box.
From the Properties dialog box, select the Driver tab.
Click the Update Driver button, then follow the instructions.
Very important: You must reboot your system to ensure that any driver updates have taken effect.
For more help, visit our Driver Support section for step-by-step videos on how to install drivers for every file type.